|
|
|
|
woensdag, 25 april 2012 |
|
|
|
Ter gelegenheid van het eerste lustrum van het Marc Nagelsorgel in de Bexstraat bracht Willem Ceuleers een CD uit met een opname van een eigen werken, speciaal gecomponeerd voor dit orgel.
Willem Ceuleers (°1962) [short biography in English] Orgelwerken uit: ‘Klavierübung für die Patin’ opgedragen aan: Jetty Janssen
Prijs: € 14 excl. verzendkosten. Exemplaren kunnen besteld worden bij Willem Ceuleers, via e-mail: willem@ceuleers.eu
Hieronder de cover en de tracklist met geluidsvoorbeelden met een verkorte toelichting op de muziek. In het drietalige booklet wordt nader ingegaan op zowel het instrument als de muziekstukken.
De Klavierübung für die Patin In juni 2005 werd de organiste van de kerk, Jetty Janssen, verrast met een lijvig orgelboek, getiteld Klavierübung für die Patin. Hierin stonden composities van Willem Ceuleers, die – grotendeels – speciaal geschreven waren voor dit orgel en voor het gebruik in de liturgie. In de daaropvolgende jaren werd deze compositiecyclus nog verder aangevuld, gedeeltelijk puttend uit reeds bestaand werk, maar ook elke keer met nieuwe composities. In mei 2009 werd een selectie uit deze bundels opgenomen, die ter gelegenheid van het eerste lustrum van het orgel (zondag trinitatis, 30 mei 2010) den volke wordt gepresenteerd. De eerste helft van de titel (Klavierübung) is een knipoog naar de gelijknamige orgelboeken van Johann Sebastian Bach en zijn leerling Johann Ludwig Krebs. Bach schreef zijn vierdelige Klavierübung voor zijn zoon Wilhelm Friedemann; Ceuleers schreef zijn Klavierübung voor zijn meter (Patin in het Duits), Jetty Janssen, de toenmalige organiste van de Christuskerk. Klik hier voor de volledige inhoud van dit werk
Tijdens het concert op 30 mei speelde Ceuleers de muziek van de CD nogmaals, een concert dat opgenomen werd door de VRT om te worden uitgezonden in het programma van Fred Brouwers "In de loge".
uit deel I : Vater unser im Himmelreich, opus 611 (2005) roerfluit Wer nur den lieben Gott läβt walten, opus 612 (2005) gedekt, roerfluit, nasard discant, tremulant Kirken den er et gammelt Hus, opus 615 (2005) gedekt, prestant When God of old came down, opus 617 (2005) gedekt, prestant, nasard bas, octaaf bas, terts bas
Vater unser im Himmelreich is slechts tweestemmig, maar wel met dubbel contrapunt. Elke zin van dit koraal wordt apart behandeld. Zij verschijnt eerst in de sopraan met een karakteristieke tegenstem in de tenor. Daarna wordt de muziek maar met omgewisselde stemmen. De mogelijkheden die de klavierdeling van sommige registers in bas/discant (enkel op de linker- of rechterhelft van het klavier) biedt, worden gedemonstreerd in Wer nur den lieben Gott lässt walten. De bourdon en de fluit spreken over het hele klavier, maar in de discant komt de nasard daar nog bij: de indruk van twee manualen te horen ontstaat. In Kirken den er et gammelt Hus (“Meester men zoekt u wijd en zijd”, gezang 170) verschijnt de fraaie melodie van Ludvig Lindeman met langere tonen in de bovenstem. De beweging is over de drie lagere stemmen verdeeld, die daarvoor een motiefje van vier tonen gebruiken dat steeds weer herhaald wordt. In When God of old came down (Pinksterlied, gezang 243) is het de beurt aan de bas om de uitkomende stem te spelen. Dat gebeurt met een snelle, cello-achtige melodie waarin de wijs van het koraal verstopt zit. Deze wijs wordt na de inleiding in de twee bovenstemmen in canon herhaald.
deel II: 21 versetten over ‘Jeruzalem, mijn vaderstad’, opus 624 (2005) vers 1: gedekt vers 2: gedekt, roerfluit, sifflet bas, octaaf-terts discant, vers 3: gedekt, roerfluit vers 4: gedekt, roerfluit, nasard discant vers 5: gedekt, prestant vers 6: prestant vers 7: gedekt, prestant, nasard vers 8: gedekt, sifflet vers 9: quintadeen, tremulant vers 10: gedekt, quintadeen vers 11: gedekt, quintadeen, roerfluit vers 12: gedekt, prestant, octaaf vers 13: gedekt, prestant, nasard, octaaf vers 14: gedekt, prestant, nasard- octaaf- terts discant vers 15: quintadeen, roerfluit vers 16: gedekt, quintadeen, prestant vers 17: gedekt, prestant, octaaf, kwint, subbas vers 18: gedekt, quintadeen, prestant, roerfluit vers 19: gedekt, prestant, octaaf, kwint, mixtuur vers 20: gedekt, prestant, octaaf, terts-kwint-sifflet discant, vers 21: gedekt, prestant, octaaf, terts, kwint, mixtuur, subbas
De 21 versetten over Jeruzalem, mijn vaderstad (gezang 265) vormen een staalkaart van de registratiemogelijkheden van het Nagelsorgel. De klassiek, meer ‘barokke’ variaties (Bach, Steigleder, Pachelbel) worden in het midden afgewisseld met romantische knipogen (Brahms, Franck, Dupré). De 21 versetten corresponderen met de 21 strofen van het lied, maar zijn er geen uitbeelding van. De versetten kunnen alternerend met de samenzang gespeeld worden, hetzij als Verse ohne Worte, hetzij als interludium.
uit deel III: Psalm 62, opus 216 (1988) quintadeen, prestant Psalm 121, opus 629 (2005) gedekt, roerfluit Psalm 150, opus 203 (1987) gedekt, prestant, octaaf, terts, kwint
In een protestantse kerk mogen Geneefse psalmen niet ontbreken. Psalm 62 is een tricinium (drie-stemmig) met de melodie in de tenor. De bas ondersteunt de tenor, maar de sopraan ontpopt zich als discantus met een rijke omspeelde tegenstem. Psalm 121 is in motetstijl, dwz. dat de afzonderlijke zinnen van de psalm doorheen alle stemmen op imitatorische wijze gepresenteerd worden, zoals in een ricercare. In Psalm 150 is de melodie duidelijk geëxponeerd in de sopraan. De inzet van elke zin laat wat op zich wachten, wat de overige twee stemmen in staat stelt om de melodie soms in kortere notenwaarden voor te imiteren.
uit deel IV: Fantasia seconda sopra ‘Solare lascia fare mi’, opus 237 (1986) gedekt, prestant maat 31: gedekt, prestant, octaaf maat 73: gedekt, prestant, octaaf, kwint
Toccata quarta, opus 633 (2005) gedekt, prestant, nasard, oktaaf, subbas maat 13: gedekt, prestant, nasard, oktaaf, kwint, subbas maat 23: gedekt, prestant, nasard, oktaaf, terts, kwint, subbas maat 46: gedekt, prestant, nasard, oktaaf, terts, kwint, sifflet, subbas
De Fantasia seconda over Solare lascia fare mi is een muzikaal antwoord op de gelijknamige fantasie van Johann Jacob Froberger. Dit thema werd voor het eerst door Josquin Desprez gebruikt in een mis (1502) en werd later vaak hernomen door andere componisten (sol-la-re; la-sol-fa-re-mi) [De italiaanse uitroep Lascia fare mi betekent ‘laat mij toch mijn gang gaan’, of ‘laat me met rust’]. In deze fantasie wordt het thema geheel volgens de traditie in motetstijl doorgevoerd, met sequenzen zowel in augmentatio (verbreding) als in diminutio (verkleining, riedeltjes). De delen worden gemarkeerd door grote cadenzen (formeel afsluitende passages) en hebben eigen tegenthema’s. De Toccata quarta werd in de 17de eeuwse noordduitse stylus phantasticus gecomponeerd. Dat is een stijl die speelt met rhetorische contrasten.
uit deel V: Sometimes a light surprises, opus 645 (2005) gedekt, quintadeen, prestant, octaaf, subbas
Deze compositie over gezang 448 is een voorbeeld van een uitgebreide koraalbewerking. In het pedaal worden de zinnen van dit lied in heel lange noten voorgesteld. De zinnen worden echter door lange rustpauzen van elkaar gescheiden, wat de hogere stemmen de gelegenheid geeft om de melodie in normale notenwaarden ‘voor te imiteren’. De stemmen die de koraalmelodie niet citeren ontwikkelen eigen tegenthema’s die zij in permutatiefuga’s doorvoeren (fuga’s zonder vrije tussenspelen, waarbij het thema aldoor door de stemmen van elkaar overgenomen wordt).
deel VI: Fantasia over de lofzang van Maria, opus 646 (2005) gedekt, roerfluit maat 31: gedekt, roerfluit, subbas maat 36: gedekt, roerfluit, nasard bas, terts bas maat 42: gedekt, roerfluit, sifflet discant maat 45: gedekt, roerfluit, nasard bas, terts bas maat 48: gedekt, roerfluit, sifflet discant, subbas maat 54: gedekt, prestant, nasard maat 68: gedekt, prestant, nasard, octaaf maat 83: gedekt, prestant, nasard, octaaf, terts maat 99: roerfluit maat 120: gedekt, roerfluit maat 132: gedekt, roerfluit, subbas maat 140: gedekt, roerfluit, nasard-octaat-terts discant, subbas
In een Calvinistisch Psalmboek komen ook Cantica voor, de Lofzangen van Simeon, Zacharias en Maria. Deze laatste, de Lofzang van Maria is het best bekend onder de naam ‘Magnificat’, naar het eerste woord van de Latijnse versie. Uit de Klavierübung is de uitgebreide van twee zettingen gekozen in de vorm van een koraalfantasie. Elke zin van het gezang vormt een deel op zich, waarin de melodie steeds herhaald en geciteerd wordt. De melodie en de begeleidende stemmen worden op steeds verschillende manier gevarieerd.
uit deel VII: Prelude en fuga in mi-klein, opus 579 (2003) op een thema van Urbain De Wilde prelude: gedekt, prestant, nasard, octaaf, kwint, subbas eerste fuga: gedekt, prestant, nasard, octaaf, terts, kwint, subbas tweede fuga: gedekt, prestant, octaaf, terts, kwint, mixtuur, subbas
De Prelude en fuga werd in de grote Lutherse traditie gecomponeerd (Bach). Het fugathema werd door Urbain De Wilde, oud-leerling compositie van Willem Ceuleers en organist in Kalken en Zaffelare, opgegeven. De componist voegde zelf een tweede chromatisch thema toe dat op het eind van de fuga met het De Wildethema gecombineerd wordt.
|